De Amstelstraat

De Amstelstraat, die loopt van het Rembrandtplein naar de Amstel, is zo'n straatje dat de laatste 50 jaar door een samenloop van allerlei maatschappelijke en stedelijke ontwikkelingen is verworden tot probleemgebied, zoals zoveel straten in de oude Nederlandse binnensteden. Te kleinschalig geworden voor de moderne tijd, benauwd en vervallen en natuurlijk onhandig in te richten voor hedendaagse commerciële doeleinden. Ingeklemd tussen het Waterlooplein, het Rembrandtsplein en de Amstel ligt de Amstelstraat in het verlengde van de belangrijkste winkelstraten van Amsterdam. Dagelijks worden hier busladingen toeristen neergekwakt, struikel je in het weekend over de dagjesmensen en zijn er doordeweeks massa's ambtenaren die van het
stadhuis naar het Rembrandtsplein slenteren. Onder Amsterdammers roept de Amstelstraat dan ook geen warme gevoelens op. Iedereen kent 'm, maar niemand vindt 'm leuk, interessant, of mooi. De Amstelstraat, dat is die straat waar je 's avonds moet oppassen voor rondhangend tuig, niet in de tramrails moet vastraken met je fiets, om trams en toeristen heen moet laveren. Of waar je als voetganger drie keer van je sokken gereden wordt door een horde verkeersbordblinde fietsers. Een straat waar je af en toe doorheen moet, en als je pech hebt elke dag. 's Avonds slaat de verloedering pas echt toe: van heinde en verre komen opgefokte stappers de sfeer verzieken, nog even een patatje of een blowtje scoren, op weg naar een of andere disco op het Rembrandtplein. In een poging het imago te verbeteren wil de gemeente de straat 'opschonen' door zoveel mogelijk koffieshops en nachtcafé s eruit te werken, zodat de Amstelstraat een woon-winkelgebied kan worden. In feite betekent dit dat de Kalverstraat doorgetrokken wordt over het Rembrandtplein tot de Amstel. Dat de Amstelstraat naar ons gevoel hiermee bepaald geen recht wordt gedaan, laten wij zien aan de hand van de geschiedenis van de straat en de omgeving. De amstelstraat vroeger.....

Want dat juist in dit lullige straatje maar liefst 5 theaters tegelijk hun deuren geopend hadden, sjieke koffiehuizen, restaurants, een Beierse bierhalle met wintertuin, en vele kroegjes van lager allooi er hun vaste klandizie ontvingen, dat is even ver van ons weg als het water in het Rokin. De Amstelstraat was samen met het Rembrandtplein ooit het Broadway van Amsterdam. Daar moest je zijn voor de modernste uitvoeringen, de oudste clowns, de beste revues, het lekkerste bier in de stad, de eerste films.... En voor de herenliefde, hoertjes, illegaal gokken, kortom alles wat bij een grote stad hoort. Het verhaal van de Amstelstraat is het verhaal van grote namen van weleer, die met tomeloze inzet iets tot stand brachten, wat in latere generaties met de vanzelfsprekend van
het noodlot weer ten gronde is gegaan. Omdat ze nu eenmaal niet die tomeloze inzet hadden, omdat de crisis in de jaren '30 het publiek uitdunde, omdat er brand uitbrak, omdat een instituut als een bank nu eenmaal vrij spel had. Na een korte geschiedenis over het ontstaan van de Amstelstraat laten wij de grootste theaters de revue passeren. De teloorgang van deze theatercultuur in de Amstelstraat en het verdwijnen van de Joodse bevolking uit Amsterdam gaan gelijk op. Het theater was immers een vrijplaats voor joden. Je vindt het terug in de namen van de gangmakers en grote en kleine artiesten. Zij verdienen meer dan een voetnoot in deze geschiedenis. Maar de Amstelstraat had meer te bieden dan theaters, de dorst moest immers gelest worden. Dat kon in vele gelegenheden, en voor alle rangen en standen. De elite vond een plekje in café Roetemeijer, het volk ging naar de kroeg op de hoek. Een niet gering aantal van deze kroegen zijn van oudsher gericht op homoseksuelen, ook dat mag niet onbesproken blijven. Zijn er momenten geweest dat deze teloorgang gekeerd had kunnen worden? Wij laten zien dat in de Amstelstraat de wildste plannen leefden. Maar ook nu is staan de plannenmakers niet stil, zo heeft woningbouwvereniging Het Oosten een opvallend plan waarbij de bovenwoningen van een heel blok voor bewoning ontsloten worden. Tenslotte zullen wij zelf een aantal ideeën opperen, die voortkomen uit de roerige geschiedenis van de Amstelstraat. Want dat is de achterliggende gedachte bij deze re(d)actie: wat voor toekomst valt er voor de Amstelstraat uit het verleden te destilleren? Nostalgie en verleden als inspiratiebron?

De waan van alledag geeft ons nauwelijks de tijd om stil te staan bij het verleden. Zeker na de tweede wereldorlog was wederopbouw en dus de toekomst een maatschappelijke leidraad. Groei en ontwikkeling stonden centraal, voor terugkijken was geen tijd, het leed was nog te vers. Nu we langzamerhand de slagschaduw van de tweede wereldoorlog achter ons laten, is er weer ruimte om het verleden tot een bron van informatie en inspiratie te maken. In de grote steden in Nederland is eenzelfde ontwikkeling waarneembaar. Waar decennia lang niet gemaald werd om een grachtje en de 4-baans wegen menig monument of nauw straatje noodlottig werden, begint men nu dezelfde grachten weer open te graven. Geschiedenis is mensenwerk, blijkt maar weer.
In een stad als Amsterdam is ontzettend veel moois in de loop der eeuwen vernietigd. Dat is onvermijdelijk, en noodzakelijk voor verdere groei. Een stad moet de ruimte hebben om te veranderen, en niet verstikken in een openlucht-museum. Maar om het conserveren van onze stad over te laten aan de Japanners (Nagasaki) is weer het andere uiterste. Wij willen ons niet scharen bij de ach en wee-koren die vinden dat alles had moeten blijven zoals het was. Maar nog steeds hangt er aan nostalgie, heimwee naar hoe het ooit is geweest, een muf luchtje. Dat dit niet terecht is willen wij laten zien in het eerste nummer van de re(d)actie. De Amstelstraat verdient op z'n minst een requiem, en liefst een reanimatie. De Amstelstraat van nu staat in geen enkele relatie tot haar verleden, de Amstelstraat van de toekomst moet juist uit de vergetelheid worden ontdekt en uitgebot. Geschiedenis

In de bocht van de Amstel ligt tussen het Rembrandtsplein en de Herengracht de Amsteldriehoek. Tot de stadsuitbreiding van 1593 lag de Amsteldriehoek buiten de stadswallen en stonden er slechts enkele huizen en molens aan de oever van de Amstel . De stadswal, aangelegd ter bescherming van dit nieuwe gebied, heeft in latere tijden plaatsgemaakt voor de huidige Amstelstraat. De Amsteldriehoek valt hierdoor in twee delen uiteen. Het gedeelte tussen de Amstel en de Amstelstraat bestaat uit kleine kavels met een zeer dichte bebouwing die ontsloten worden door een nauw stegenstelsel. Het gebied tussen de Amstelstraat en de Herengracht maakt deel uit van de stadsuitbreiding van 1632 en is veel ruimer van opzet. In feite is het één groot gesloten
stedebouwkundig blok met een open binnenruimte. Doordat het stadsbestuur indertijd koppelverkoop van 'voor en achterkavels' stimuleerde onstonden er aan de Herengracht grote herenhuizen met koetshuizen aan de Amstelstraat. In deze stallen zijn later de eerste theaters ontstaan. Op het verdwijnen van enkele steegjes na is de globale structuur van de Amsteldriehoek sinds die tijd nauwelijks veranderd. De veranderingen hebben zich voornamelijk voorgedaan binnen de blokken. Door het samenvoegen van kleine kavels onstonden er grotere clusters, een trend die zich tot heden heeft voort gezet met verstrekkende gevolgen voor de toekomst. De koetshuizen maakten plaats voor de salons en de theaters, de theaters verdwenen op hun beurt voor het grote geld van de banken en op dit moment beslaat Hotel Eden bijna een geheel blok. In het huidige masterplan voor de Amsteldriehoek, opgesteld voor woningbouwvereniging Het Oosten wordt ronduit gezegd dat het samenvoegen van panden onvermijdelijk is, teneinde geschikt vloeroppervlak te creëren voor de gewenste bedrijfsmatigeexploitatie. Bij de stadsuitbreiding van 1632 onstond ook de Botermarkt, het tegenwoordige Rembrandtsplein. Dit plein is van grote invloed geweest op de ontwikkeling van de Amstelstraat. Sinds de 18e eeuw was er al sprake van kermis en een eeuw later werden er legendarische etablissementen gevestigd zoals Mille Colonnes, de Kroon, Mast en Schiller. De glorietijd

Het eerste theater in de Amstelstraat was de Hoogduitsche schouwburg, gesticht in 1791. Ondanks het louter duits-talig repertoire wist men het hoofd boven water te houden tot 1852, waarna het omgedoopt werd tot het Grand-theater. Op dat moment waren niet de Amstelstraat en het Rembrandtplein de uitgaansbuurt, maar de Nes. Zó beroemd en berucht was de Nes, dat volgens de kronieken slechts Parijs en Boudapest zich met de Nes konden meten. Vele namen die we nog tegen zullen komen, hebben hun roem daar eerst gevestigd. Toch kon het vertier het niet bolwerken tegen de oprukkende tabakspakhuizen, die de theaters langzaam maar zeker wegkochten. Dit was de gemeente overigens niet onwelgevallig, het viel niet mee de orde te handhaven in de nauwe
straatjes. In de tweede helft van de negentiende eeuw verschoof het accent steeds meer naar de Amstelstraat, waar theater na theater de deuren opende. Het hoogtepunt van de Amstelstraat lag in de twintiger jaren. Na de brand in Theater Flora, 1929, gaat het langzaam maar zeker bergafwaarts. Wij zullen de belangrijkste theaters van de Amstelstraat de revue laten passeren.

Het Grand-theater Amstelstraat 21-23

In 1852 opende het Grand-theater haar deuren in de oude Hoogduitse schouwburg, onder de bezielende leiding van Abraham van Lier. Deze wilde het liefst alle groten der aarde in zijn theater laten optreden. En dat lukte hem aardig, zo heeft Sarah Bernard er 4 keer op Bühne gestaan, de laatste keer als travestie-Hamlet.
de Na zijn dood in 1887 wistten zijn zoons dit beleid nog enige tijd vol te houden, maar na de verbouwing in 1904 werd het Grand het toneel van de eerste strijd tussen bioscoop en theater. Het gebouw kwam in handen van de gebroeders Mullens, de producenten van de eerste Nederlandse film (in 1903). De van Liers werden eruit gezet, en de gebroeders Mullens exploiteerden er onder het pseudoniem van de Albert frères enkele jaren hun eigen films, naast die van de Pathé frères. Na 1913 voeren operettes toch weer de boventoon. Mullens verhuurde het gebouw aan wie zich maar meldde. De exploitatie zat tegen, het verval begon in te zetten. Met name in de crisistijd werd het theater slecht bespeeld. De fiscus gaf in maart 1940 de genadeslag: de inboedel werd verkocht. In de hongerwinter is al het hout er finaal uitgesloopt: na de oorlog zat er niets anders op het karwei af te maken. In 1964 wordt er eindelijk gebouwd door de NMB. Saillant detail: onder het gebouw zit een echte BB-schuilkelder. Tegenwoordig is het NMB-gebouw onderdeel van het inmense Hotel Eden.

Salon de Varieté Amstelstraat 5

Ook bij de Salon was één grote man, de komiek Nathan Judels, de gangmaker, zowel op de bühne als achter de schermen. Naast draken, kluchten en blijspelen werden hier voor het eerst stukken van vernieuwende schrijvers als Ibsen en Strindberg uitgevoerd. Ook was de salon een proeftuin voor jong talent als de beroemde familie Bouwmeester. De Salon was berucht om zijn slechte ventilatie, wat niemand belette flink te roken tijdens de voorstelling. Behalve op vrijdag, want dat was de rookvrije avond.
Dan kwam de beau monde van Amsterdam kijken, bijvoorbeeld naar de geruchtmakendvoorstelling 'De Doofpot', geschreven naar aanleiding van rellen bij het bezoek van de Duitse keizer in 1891. Na de dood van Judels werd de salon getrokken bij de Karseboom op de hoek met het Rembrandtplein. In 1909 opende de Nieuwe Karseboom haar deuren. Dit cafe-concert met biljart bleek te hoog gegrepen. In de jaren '80 werd er nieuwbouw gepleegd, de entree van de Amstelstraat werd er definitief mee ontzield.

Koninklijke Nederlandse Bierbottelarij Roetemeijer Amstelstraat 16

Er was eens een tijd dat het lokaal gebrouwen bier niet te zuipen was. Het was daarom een gat in de markt Duits bier te importeren in fusten en hier te bottelen.
Al snel telde de stad vele kroegen waar het 'Echt München' (bruin) bier werd getapt. De allerbekendste was de Koninklijke Nederlandsche Bierbottelarij Roetemeijer. Oorspronkelijk ingericht als echte bierhalle met lege fusten als krukken, werd het interieur al snel aangepast aan de sjiekere bezoeker van het Grand en de Salon. In 1875 werd achter het pand een overdekte wintertuin van 25 bij 7 meter gebouwd, met heuze rotspartij, ontworpen door de architect Bijvoet. Om deze wintertuin van de Amstelstraat toegankelijk te maken bouwde men in 1879 een echte passage van 20 meter lengte, eveneens van de hand van Bijvoet. Roetemeijer was inmiddels een vermaard etablissement waar flink nagezeten werd na een avondje theater aan de overkant. In 1881 werden er plannen gesmeed een hotel te bouwen van 4 verdiepingen en 100 kamers. Helaas vond de gemeente het gebouw te hoog, en wordt het plan afgekeurd. Niet uit het veld geslagen besloten de Roetemeijers op de bovenetages het Panopticum te stichten, een wassenbeeldengalerij. De wintertuin bleef als Roetemeijer bestaan.

Het panopticum

Nu de plannen voor het hotel werden afgeblazen, bleek een investeringsmaatschappij met een kapitaal van maar liefst 1.000.000,-- gulden brood te zien in een echte wassenbeeldengalarij, zoals in London, Berlijn, en Parijs al succesvol was gebleken. De architect T. Sanders verbouwde het pand in semi-renaissancestijl, in het Paleis van Volksvlijt nam Wassenbeelden-specialist Castan van de Berlijner Kaisergalarie zijn intrek, en na een jaar opende het
Panopticum zijn deuren. Maar liefst 12.000 bezoekers kwamen in de eerste week de 176 beeldengroepen, met onder meer de royalty van Europa, bijbelse figuren zoals Mozes, een opperhoofd der Sioux-indianen, Roodkapje, en de capitulatie bij Atjeh, bekijken. Ook de collectie martelwerktuigen die sinds jaar en dag Amsterdam teistert, komt voort uit het Panopticum. Na verloop van jaren neemt de belangstelling af, maar toch zal voor lange tijd een dagje Amsterdam ondenkbaar zijn zonder een bezoek aan Artis en het Panopticum. Ook het café op de begane grond, verfraaid met Delftse tegelschilderijen van Mesdag en Israels, trok grote belangstelling, mede door optredens van de Wiener Damenkapelle. Vele kunstenaars en schrijvers vertoefden er regelmatig, zoals Van Schendel en Gorter. Maar ook hier kwam de klad erin, zodat men zich na de eeuwwisseling genoodzaakt zag het café beneden in te richten als theater. De wassenbeelden wisten tot 1919 stand te houden. Toen werd het pand verkocht aan de Amsterdamsche bank, die de bovenetage inrichtte als kantoren. Alle beelden werden per opbod verkocht, waarbij het bod op de Sioux-chief dat op menig ander staatshoofd oversteeg.

Het Centraal Theater Amstelstraat 14-16

In 1915 werd de Amstelstraat 14 voor de zoveelste keer verbouwd: deze keer werd het souterrain bij de bovenzaal getrokken om zo een volwassen theaterzaal met 580 zitplaatsen te creëren, Het Centraal Theater. In eerste instantie werden er vooral kluchten en blijspelen opgevoerd, die steevast volle zalen trokken. Het in 1926 opgerichte Centraal Toneel kwam in 1932 in handen van de bevlogen Cees Laseur en zijn vrouw
Mary Dresselhuis. Een ongekende bloeiperiode brak aan, in 14 jaar tijd bracht het Centraal Toneel maar liefst 77 stukken op de planken, allen onder de regie van Laseur. Ondanks dat Laseur het in 1946 voor gezien hield, en directeur werd van de Haagsche Comedie, was er aan bespelers geen gebrek, aan publiek ook niet trouwens. Er was in Amsterdam duidelijk behoefte aan een middelgrote theaterzaal. Maar ja, er was maar één speler die echt de troeven in handen had, en dat was de Amrobank. in 1966 moest het theater het veld ruimen voor een enorm kantoorcomplex, ruim twee keer zo hoog als het niet gebouwde hotel van Roetemeijer. Er werd zelfs niet voor teruggedeinst over het kantoorgebouw van Berlage aan het Rembrandtplein heen te bouwen.
En zo viel het doek voor het laatste theater van de Amstelstraat.
Het Flora theater Amstelstraat 20-28

Het Flora-theater werd opgericht door Franz Nöggerath, een Duitse jood die in 1891 een koffiehuis opende op de Warmoesstraat. Toen dit in 1893 afbrandde, wist hij de hand te leggen op de vrijgekomen stalhouderij van Rijnders, Amstelstraat 26. Bedrijfsleider en regisseur werd Léon Boedels, voormalig vaste klant. Wegens groot succes werd er al snel uitgebreid tot een zaal van 500 personen. Het Flora theater was een onvervalst varieté- of specialiteitentheater, met een programma van 15-20 acts die elkaar in hoog tempo opvolgden. Na de openingsmars kwam een bonte stoet goochelaars, clowns, waarzeggers, acrobaten, al dan niet wielrijdende jongleurs, en helderzienden het publiek vermaken. Vast onderdeel was de couplet-zanger,
die een op de actualiteit geschreven lied ten beste gaf. Léon Boedels nam dit nummer voor zijn rekening, immer met groot succes. Jaren lang was hij de populairste man van de Amstelstraat. Voor en na de pauze werden de eerste films van Nederland getoond, lang voordat Tuschinski zijn deuren opende. Eigenaar Nöggerath werd Nederlands eerste filmdistributeur. Tot twee maal toe is een brand de flora fataal geweest. Na de eerste brand in 1902 werd er meteen herbouwd, het waren de gloriedagen van de Amstelstraat. De tweede brand was in 1929. De crisis had al toegeslagen, en dat was in een uitgaansstraat als de Amstelstraat te merken. Ondanks grootse plannen van de nieuwe eigenaar Jean Desmet tot herbouw heeft er 23 jaar een ruïne gestaan. In 1952 werd er dan eindelijk nieuwbouw gepleegd. Een bioscoop, want voor een varieté-theater was inmiddels geen markt meer. Én geen artiesten, want het theater was van oudsher een toevluchtsoord voor Joden.... Maar ook de bioscoop heeft het niet volgehouden, een tijdelijke opleving als DisneyTheater daargelaten. In 1981 opende Flora-Palace zijn deuren, de eerste disco die zich in een leegstaand theater vestigde. Odeon, de Roxy en Escape zouden elders in de stad snel volgen. De disco kwam te laat om de Amstelstraat te redden, veel te laat zelfs. Maar al die oude theaters, wat een uitgaansstraat zou dat zijn geweest. Joodse artiesten in de amusementswereld

'Wie het heeft over de geschiedenis van het amusement in Nederland, heeft het over de geschiedenis van de Joden'. (Jacques Klöters). Voortgekomen uit de kermis, waar veel joden hun vrijplaats vonden, stonden er halverwege de 19e eeuw een aantal Joodse artiesten op zoals Judels, de oprichter van de salon, Bamberg, Solser, de familie Davids en Nico de Haas. Hun faam was groot, avond aan avond stonden zij voor volle zalen in de Nes en in het Casino in Rotterdam. Tegen het eind van de 19e eeuw, toen het uitgaansleven zich van de Nes had verplaatst naar de Amstelstraat en het Rembrandtplein, waren alle topartiesten joden: Louis Davids, met zijn Zusjes Rika en Heintje, Maurice Dumas, die schunnige liedjes zong, Eduard Jacobs, die het cabaret in
Nederland introduceerde, Léon Boedels, stalmeester van de Flora en de populairste man van de Amstelstraat. Toen in de jaren 20 de film een geduchte concurrent werd, waren het jonge Joodse artiesten die dansorkesten oprichtten die swing en jazz speelden. Veel kleine Joodse artiesten, zoals de goochelaar prof. Ali Ben Libi, konden optreden in de vele buurtbioscopen in varietéprogramma's. Overigens waren de meeste joodse artiesten sterk geassimileerd; om succes te hebben bij het grote publiek was het het beste om hun joodse identiteit niet te etaleren. Dat kon altijd nog in het Tiptop-theater op de Jodenbreestraat, waar het publiek overwegend joods was. Vele van deze artiesten, schnabbelaar of coryfee, hebben de oorlog niet overleefd. Zoals Johnny and Jones, populair geworden bij de Vara-radio. In Westerbork hebben ze maar een paar keer in de beruchte revue opgetreden, die meestal plaatsvond op de avond na het transport, de kampcommandant op de voorste rij. Door hun werk in de vliegtuigsloperij kwamen ze af en toe buiten het kamp, hun vrouwen bleven achter als gijzelaars. Hun laatste opname is uit 1944, 'De Westerbork-serenade', waarin geen woord over de honger, de angst, of de transporten. Ondanks een aanbod daartoe zijn ze niet ondergedoken, overtuigd dat hun roem hen zou beschermen. Zomer 1945 zijn beiden overleden. Na 1945

Na de Oorlog zet het verval van de Amstelstraat door. Wachtend op een nieuwe bestemming staan kavels jaren lang leeg of vertellen slechts de ruïnes van de vergane glorie. Vanaf 1964 neemt het bankwezen de straat in zijn greep met de bouw van de twee prototype jaren 60 kantoorkolossen van de NMB en Amro-bank. Zo is de ziel van de Amstelstraat in het grote bankgeld gesmoord, en verwerd de straat overdag tot een doorgangsroute en 's nachts tot een overloop van het Rembrandtplein. Snackbars en shoarmatenten, sex- en coffeeshops, en onlangs een smartshop vestigden zich in de Amstelstraat, zodat het verleden onder een dikke laag stof bier, kots, mayonaise en injectienaalden is verdwenen.
Club 13 Amstelstraat 13

Naast het monsterlijke bankgebouw waar ooit het Grand stond is er nog een overblijfsel van de gemoedelijke, ietwat clandestiene sfeer die de Amsteldriehoek zo aantrekkelijk maakte: Club 13. Met dit soort nachtkroegjes zaten de stegen rond de Amstelstraat vol: hier kwamen de nachtbrakers, de hoertjes, de penoze, het personeel en de acteurs en wat nog meer een afzakkertje halen, kijken of er nog iets te halen viel. Als enige heeft Club 13 standgehouden, zij het in gehavende vorm: bij de bouw van de bank met die BB-kelder dreigde het pand in te storten, waarop de bovenste 3 etages er vanaf zijn gesloopt. Wat rest is een onopvallend, onogelijk pandje waar overdag geen leven te bekennen valt, maar waar 's nachts nog steeds de vaste clan hun Hot'nSweets (vodka met dropsmaak)
komen halen, en de deur pas sluit als laatste klant bereid is het daglicht te trotseren. De tram heeft dan al vele uren de ambtenaren naar de Stopera gebracht. De eigenaar van club 13: "In deze buurt heeft altijd penoze rondgelopen, vooral in de Amstelstraat. Cafés als de Krokodil hiernaast hadden zo hun eigen klandizie. Iedereen is welkom hier. Ik vraag nooit wat, zolang ze niet vechten, gebruiken, dealen, en de vrouwen met rust laten, vind ik het best. Maar al die opgefokte lui met pillen in hun mik, de junks, de dealers, komer er hier niet in. Het plein, dat was geweldig vroeger. Maar met de komst van de heroïne was het leuke er snel van af . Toen is het er keihard geworden. Het plein zal nooit meer worden wat het was." Gay life

Dat de It in de jaren 80 als homodisco is opgezet kwam bepaald niet uit de lucht vallen. Al jaren, wellicht eeuwen, is er sprake van een roze rand rond het Rembrandtplein. Het plein trok als vermaakcentrum ook allerlei indertijd illegale praktijken aan, zoals prostitutie, gokken, en homokroegen. Pas in de jaren 50, toen de politie homocultuur begon te gedogen, ontstonden er cafés die openlijk op homosexuelen gericht waren. Sindsdien waren er altijd wel 3 of 4 in de Amstelstraat gevestigd. Zonder meer berucht was het Café Neutraal, hoek Amstelstraat-Amstel, tegenover de Blauwbrug: "De eigenares was een Poolse pot, die bekend stond als Moor. Iedereen noemde het dan ook Moor's nightclub. Dat was me toch een valse joodse pot, een oudere vrouw die het met een jongere vriendin hield.
Het was een walgelijke vrouw, een stinkbak. Toch kwamen we er regelmatig, misschien door het publiek dat er zat. Tout Amsterdam kwam er, niet alleen homofielen. Het was een lesbisch homofiele zaak met een enorme zuigkracht naar de onderwereld. Het café had drie deuren, een op de Amstel, twee op de Amstelstraat. Hetero's zaten bij de ramen aan de Amstelkant, nichten weer aan de Amstelstraat, potten achteraan de bar bij de trap naar de toiletten. Eigenlijk was het ook een hoerencafé, Moor dreef de zaak als animeertent, ze probeerde steeds opdringerige hetero's te koppelen aan haar vrouwelijke klanten, tot hun grote ergernis natuurlijk."(bron: de roze rand van Amsterdam) De grootste succesformule in de Amstelstraat de laatste jaren is de It, gevestigd in de Flora-bioscoop. De extravaganza van Amsterdam, en ver daar buiten, vond er sinds 1990 een podium. De houserevolutie, begin jaren '90, gaf de It vleugels. Maar ook voor de It, sinds 1981, zat er een homodisco, Flora Palace. De tuin van museum Willet-Holthuizen

Tegenover Club 13, tussen de It en de ABN-AMRO bank, bevindt zich een merkwaardig gat, met een hoog groen stalen hek ervoor. Door de spijlen heen zie je een tuin met keurig aangeharkte grindpaadjes, met daartussen kleine perkjes in geometrische vormen. Slechts de grafstenen ontbreken om er een volmaakte begraafplaats van te maken. Deze tuin hoort bij het aan de Herengracht gelegen museum Willet-Holthuizen, en is een replica van de tuin die ooit achter dit huis was aangelegd. De AMRO-bank heeft haar geschonken aan de burgers van Amsterdam, ergens in de jaren '60, voordat de stad haar onschuld verloor. Want toen zwevers en junks op het toneel verschenen moest er snel een hek geplaatst worden, handig voor de vele discogangers om hun fiets tegen te poten, en even
flink tegenaan te pissen. Zo is er een soort niemandsland ontstaan, waar ook praktisch nooit iemand een voet lijkt te zetten. Er valt ook nauwelijks zon in de tuin, daar zorgen de flankerende bankgebouwen wel voor. Al met al is dit wel een heel schraal voorbeeld van al die prachtige binnentuinen die de grachtengordel sieren. Deze plek dient zich bij uitstek voor een snelle ingreep: maar welke? Bij de redaktie van de re(d)aktie roept de tuin meteen associaties op met de azuurblauwe paden die Daan van Golden ooit in de Hortus legde voor Century '87. Maar ook de Wintertuin van cafe Roetemeijer, die zich ooit daar bevond, moet toch de nodige inspiratie oproepen. Maar daarover meer, aan het einde van deze re(d)aktie. Het Rembrandtplein

Het Rembrandtplein en omringend gebied is de laatste jaren vooral de plek geworden waar jongeren en provincialen zich wekelijks te buiten gaan. Excessief drankgebruik gecombineerd met het slikken van XTC-pillen maken de doorsnee jongere tot een roekeloze sensatiezoeker. Op uitgaansavonden is het voor de overvloedig aanwezige politie bijkans dweilen met de kraan open. De gewelddadige incidenten op het Rembrandtplein en het Thorbeckeplein kunnen niet langer worden afgedaan met de term 'uitgaansperikelen'. Steeds vaker beslechten wapens de dronkenmansruzies. Discotheken maken gebruik van metaaldetectoren om de wapens uit de zaak te weren, die na afloop op vertoon van het bonnetje weer mee te nemen zijn. Ook het gevoerde deurbeleid van
de bars en discotheken leidt tot agressie bij de jongeren die op het plein rondhangen. Dreigementen zijn aan de orde van de dag en portiers blijken eerder een extra veiligheidsprobleem dan een mogelijke oplossing te zijn. Het Thorbecke plein lijkt tegen tweeën veel op de kermis van weleer als een ME-bus achteruit een café binnenrijdt om arrestanten op te halen terwijl politie te paard de joelende menigte op een afstand probeert te houden. Tegen zes uur gaan zevenduizend dronken discotheekbezoekers massaal de straat op als 17 discotheken bijna tegelijkertijd hun deuren sluiten. Dan wil het weleens uit de hand lopen. De 'afkoeluurtjes', waarbij er in de laatste twee uur van de avond geen alcohol meer wordt geschonken en geen nieuw publiek meer wordt binnengelaten, lijken wel wat rust te brengen. Tegelijkertijd is het beleid in de Amstelstraat er juist op gericht nachtcafé's tegen te gaan en 'hoogwaardiger' uitgaansgelegenheden zoals restaurants en eetcafé's te stimuleren. Het lijkt tijd voor een meer overwogen en grootschaliger beleid. Oude en nieuwe plannen

Als er een stadsheilige bestaat, dan moet deze zich de haren uit de kop trekken dat hij/zij zich niet meer heeft ingespannenvoor de bouw van het Hotel en Café J. Roetemeijer. Want dat is toch wel een zeer gemiste kans geweest voor de Amstelstraat, dit door de architect Bijvoet ontworpen hotel, dat nu in het rijtje Amstelhotel, Americanhotel, en Krasnapolsky zou staan. Ironisch genoeg is het juist behoudzucht geweest, dat de bouw ervan heeft voorkomen. B&W vonden het pand namelijk te hoog. Nu was 17 meter in 1881 zeker het hoogste gebouw geweest in de straat, maar 30 jaar later verrijst op de hoek van het Rembrandtplein het bankgebouw van Berlage, dat tot 25 meter komt. Andere tijden, andere normen? En ronduit cynisch is het hoe de huidige ABN/AMRO bank
met zijn 40 meter flink boven de Amsteldriehoek uittorent, en dat op exact dezelfde plek als waar Hotel Roetemeijer zou zijn gebouwd. Hoe zou de straat er dan hebben bijgestaan? Een sjiek hotel zou ongetwijfeld stormvaster geweest zijn als al het amusement, en veel kwaliteit in de straat gebracht hebben. Wie weet had zich een aantal sjieke salons gevestigd, zoals er zoveel in Oost-Europese hoofdsteden onverwoestbaar zijn gebleken. Het is opvallend hoe weinig horecagelegenheden van reputatie de vorige eeuw doorstaan hebben. Rijnders, IJlders, en het American op het Leidseplein, De Kroon en het Schiller hotel op het Rembrandtplein, een handjevol. De Flora schouburg

Na de brand in het Floratheater bezwoer de nieuwe eigenaar Jean Desmet dat het opnieuw zou herrijzen. Jan Wils, de met een gouden medaille bekroonde architect van het Olympisch stadion, werd erbij gehaald. Deze veroorloofde zich een studiereis van 5 maanden, naar, waar anders, Amerika. De plannen overtreffen zelfs het bankgebouw aan het begin van de Amstelstraat met gemak. Ook de naam schouwburg is geen toeval: hier wordt overduidelijk een poging gedaan het Leidseplein in grootsheid en sjiekheid te overvleugelen. Het plan bevat: een theater-bioscoopzaal voor 2250 personen; een kunstschaatsbaan voor 1200 personen, voor ijsballetten, tentoonstellingen, sportevenementen, in tijden van oorlog bovendien geschikt als gaskelder;
een 'enorme' daktuin met dito uitzicht; vergader-, feest- en banketzalen, ook geschikt voor dancing en cabaret in de opgeslokte patriciershuizen aan de Herengracht; een wintertuin als caferuimte, uiteraard voorzien van een podium; en een inmense benedenhal, ook zeer geschikt voor allerlei evenementen. Dit plan werd aan alle kanten welwillend, zo niet enthousiast begroet, ook de gemeente was bereid mee te werken. Minder enthousiast waren de erven Willet-Holthuizen, eigenaar van het pand keizersgracht 595. De ontwikkelingsmaatschappij van Jean Desmet en zij konden het maar niet eens worden over de overname van de erfpacht. Daarna volgden nog besprekingen met de gemeente. Maar de grootste spelbreker was de crisis. Geldschieters durfden het niet meer aan en trokken zich één voor één terug. Frappant is het dat op dit moment aan de andere kant van het Rembrandtplein, de Reguliersbreestraat, een megabioscoop is geopend. Dat men toen deze enorme schaalvergroting al mogelijk achtte, is eigenlijk onvoorstelbaar. Het moest nog meer dan 65 jaar duren totdat filmconcerns zich hieraan durfde te wagen. En uitgerekend het oude Desmet-theater ten onder gaat aan deze schaalvergroting..... Opvallend, en slim, is het wedden op meerdere paarden. Wie weet, was juist de diversiteit van de Floraschouwburg precies geweest wat het draagkracht had gegeven. Nederland wacht al jaren op een poppodium voor 1500-2500 man. En hoeveel dance-avonden had je in zo'n centrum niet kunnen organiseren? Naar verluidt heeft de eigenaresse, weduwe Desmet, het plan, of de portée ervan, opnieuw uit de kast gehaald. Voorlopig zonder succes, de gemeente is niet erg happig om er geld in te steken. De tegenwoordige tijd

De plannen van gemeentewege voor de Amstelstraat zijn er vooral op gericht de ongein van het stappend tuig te beteugelen. Horecavergunningen worden beperkt, nieuwe worden niet meer afgegeven, coffeeshops komen er niet meer in. Alles is erop gericht van de Amstelstraat een nette straat met wat winkels te maken. Dan maar saai, als het maar rustig is. Ook wordt geprobeerd van de Amstelstraat weer een woonstraat te maken. Zoals zoveel binnenstadstraatjes is er veel leegstand boven winkels, kroegen, etc. Wonigbouwvereniging Het Oosten heeft een opvallend plan ontwikkeld voor de kop van de Amstelstraat aan de oneven zijde, van de Amstel tot de Wagenstraat. De gedachte is om alle bovenwoningen te ontsluiten door van de binnentuin een verhoogd
plein te maken. Alle huizen krijgen dus een deur aan de achterzijde. Het binnenplein is weer te bereiken door van een woning op de begane grond een trapportaal met brievenbussen te maken. Dit plan, wat je menig binnenstad zou toewensen, kon alleen maar tot stand komen doordat de woningbouwvereniging (bijna) alle panden in handen heeft. Bijna, want topspeculant Bertus L., die krakers elders onlangs met een shovel te lijf ging, heeft ook hier zijn belangen. De benedenetages kunnen naar believen geschakeld worden voor, minder leuk, winkels. Zo schrijdt de verBlokkering voort van het Rokin en de Kalverstraat via de Reguliersbreestraat naar de Blauwbrug. Godzijdank kan het echt niet verder. Deze clustervorming is typerend voor de Amstelstraat, en een al eeuwen durend proces. Ten eerste natuurlijk de theaters, die vaak meerdere percelen besloegen, maar ook de AMRO-bank, goed voor een huizenblok. Een ander voorbeeld is hotel Eden, een gigant met 275 kamers, die zich langzamerhand heeft uitgestrekt van de Amstel tot de Amstelstraat, in het lelijke kantoorpand waar ooit eens het Grand stond. Zo is menig steegje rond het Rembrandtplein opgeslokt door grootschalige bebouwing. Voorstellen

Hoe nu verder? In het eerste nummer van re(d)aktie hebben wij de problematiek van de Amstelstraat aan het licht gebracht. Een straat met een letterlijk ongekend verleden, en een armzalig heden. Maar wel in hartje centrum, een betere lokatie kun je je niet wensen. De mogelijkheden lijken eindeloos. Moet het een saai straatje worden, een verlengde van de Kalverstraat met keurige winkels en woningen erboven of moeten we teruggrijpen naar het eens bruisende uitgaansleven? Er wordt nu uitgegaan van beperkte schaalvergroting: het schakelen van verschillende percelen, zodat een naar hedendaagse normen fatsoenlijke winkel er zich kan handhaven. Maar waarom deze schaalvergroting niet tot in het extreme doortrekken? Laten we eens voortborduren op de
plannen van de Flora-schouwburg, en naar Amerikaans voorbeeld de Las Vegas methode toepassen: de Amstelstraat als één thematisch park met hotels in historische pandjes en volop uitgaansgelegenheden. 24 uur non-stopvermaak totdat je op je tandvlees je bed weer inkruipt. Alles onder één dak, de toerist kan er sjiek uit eten, koffiedrinken in de espressobar, shoppen in exclusieve winkels, museums bezoeken en een pretpark bezoeken, allemaal onder de noemer 'fun'. In Times Square, New York, heeft deze aanpak geleidt tot een herwaardering van de binnenstad. Door intensieve samenwerking van grote investeerders als Sony en Disney en het stadsbestuur heeft Times Square zich langzaam ontwikkeld van 'no-go-area' tot een top toeristenattractie. De Canadese socioloog John Hannigan gebruikt de term 'Fantasy City' voor deze opeenhoping van winkelcentra, megabioscopen, casino's, themaparken, museums en andere attracties in de stadscentra. Ook in Amsterdam is deze tendens al begonnen. Nog geen 200m van de Amstelstraat wordt naast het Tuschinskitheater een megaplex van 12 zalen gebouwd. Ook thematisch entertainment als Holland Experience, de reconstructies van het 'originele' Rembrandtshuis en het Anne Frank huis en het verschijnen van megastores als Fame en Virgin sluiten nauw aan bij deze trend. En door het beschermd stadsgezicht leven we toch al in een groot Madurodam. En, als we dan toch bezig zijn, laten we de oude Bijvoet, met zijn passage er eens bijhalen. Overkappen die straat! Historisch Amsterdam als een groot terras, zomer en winter. Lekker rustig voor de bewoners, die kunnen dan boven de passage kalm hun eigen leven leiden. En de tuin van Willet-Holthuizen? wij denken aan een gigantische volière, als passende begroeting van de door house-beats suf gebeukte stappers. Dit zijn de voorzetten van de re(d)aktie, waarmee we het forum hopen te prikkelen tot wellicht weer totaal andere gedachten.


Reacties tot nu toe (1-2-01) van het forum staan ook in deze site, klik op 'reacties' in de menubalk. Zelf reageren? Graag! Stuur een email naar de redaktie.